Geschiedenis
Geschiedenis van de abdij van Prébenoît
Met enkele data evoceren we de soms vredige, soms turbulente geschiedenis van de abdij van Prébenoît.
Op 21 maart 1098 stichtten eenentwintig monniken, onder leiding van abt Robertus van Molesme, in de woudgordel van Cîteaux ten zuiden van Dijon, een nieuw soort kloosterleven, een eenvoudig leven trouw aan het evangelie, volgens de regel van Benedictus. In 1113 stichtte de derde abt van Cîteaux, de heilige Stefanus Harding, een eerste dochterhuis, de abdij van La Ferté eveneens in Bourgondië. Enkele maanden later verwelkomde hij te Cîteaux de jonge Bernard van Fontaine (1090-1153), een bevlogen ridderzoon die met een dertigtal metgezellen het cisterciënzer kloosterleven wilde omhelzen. In 1115 werd Bernardus en een groep monniken op hun beurt naar Champagne uitgestuurd om in het dal van de Aube de abdij van Clairvaux te stichten. Door zijn geschriften, zijn prediking en zijn heiligheid werd Bernardus van Clairvaux het boegbeeld en de woordvoerder van de monastieke hervorming van zijn tijd.
Rond 1120 vestigde een groep kluizenaars zich in het woud van de prins van Chambon, op de plaats (of in de buurt) van Prébenoît. Op dat moment kreeg de “Gregoriaanse Hervorming”, geïnitieerd door paus Gregorius VII (1073-1085), de wind in de zeilen in heel de Latijnse christenheid. Cluny nam het voortouw in deze beweging. Deze grote benedictijnerabdij in Zuid-Bourgondië trok overal in Europa vele kloosters binnen haar structuur en hervormde talrijke monastieke sites en kerken door er monniken te plaatsen onder de Regel van Sint Benedictus. Maar sommigen wilden verder gaan, terug naar de fundamenten van het monnikendom. Ze herontdekten de ascetische, eenzame levenswijze van de woestijnvaders uit het Egypte van de IVde en Vde eeuw. Ze verwierpen elk materieel bezit, wilden uitsluitend leven van de arbeid van hun handen in armoede en onthouding, en zochten vooral de spirituele waarden van het Evangelie. De kluizenaars van Prébenoît pasten in deze beweging. Hun voornaamste inspiratiebron was Géraud de Sales, en achter hem Robert van Arbrissel, een kluizenaar en hervormer uit de Limousin en Aquitanië, die in 1101 de dubbelabdij van Fontevraud (Maine-et-Loire) stichtte.
In 1140 werd de kluizenaarsgroep te Prébenoît, gevestigd in een oksel van de Petit Creuse, een abdij. Ze werd begiftigd met grondbezit en rechten door onder andere de heren van Malval en die van Nouzerines, afstammelingen van de machtige familie van Déols. De abdij maakte deel uit van een kleine groep kloosters onder leiding van de abdij van Dalon (Limousin). Géraud de Sales (+1120), reguliere kanunnik van Saint-Avit en een leerling van Robert van Arbrissel, had veel van deze eremitische groepen begeleid naar een meer cenobitische levenswijze, geïnspireerd door de Regel van Benedictus. Hij volgde echter niet de observantie van Cluny met haar liturgische overdaad, maar die van Cîteaux, die bescheidener was en meer nadruk legde op een evenwichtige dosering van gebed, handenarbeid en lectio divina. Nadat Dalon zich in 1162 had aangesloten bij de orde van Cîteaux binnen de filiatie van Pontigny, werd de abdij van Prébenoit in 1163 op haar beurt opgenomen in de cisterciënzer orde. De orde respecteerde de drie basisprincipes van de Regel van Sint Benedictus: bidden, werken en lezen of studeren. De abdij van Prébenoît, met haar landbouwexploitaties, molens, smederijen en veeteelt, gaf vorm aan de landelijke en bosrijke regio waarin zij gelegen was, aangestuurd door de befaamde waterhuishoudkunde van de cisterciënzers. De monniken leefden volgens een vast schema van liturgisch gebed, gezongen in de abdijkerk, van studie en geestelijke lezing in het scriptorium en van de contemplatie van het Christusmysterie.
Over het algemeen worden de XIIde en XIIIde eeuw beschouwd als een bloeiperiode voor de abdij, ook al bleef zij een eerder bescheiden klooster. De bouw van de abdij in Creuse-arduin werd rond 1180 voltooid. In 1256 bekommerde Roger de Brosse, heer van Boussac, die de landerijen van Prébenoît ontving als bruidsschat uit zijn huwelijk met Marguerite de Déols, zich bijzonder om de abdij. In 1286 werd hij er zelfs begraven in het koor van de abdijkerk.
Tijdens de Honderdjarige Oorlog van 1337-1453 werd de abdij versterkt. Er werden grachten gegraven, het schip van de kerk werd ingekort en voorzien van twee verdedigingstorens, een ronde en een octogonale. De overige abdijgebouwen werden om defensieve redenen eveneens verkleind. Twee externe factoren waren bijzonder schadelijk voor het kloosterleven in Prébenoît en elders: de godsdienstoorlogen van de XVIde eeuw en het regime van de commendataire abten in de XVIIde eeuw. Tijdens de godsdienstoorlogen werd de abdij afwisselend bezet door protestantse en katholieke legers. De hugenoten verwoestten uiteindelijk de abdij en haar vijvers. Onder het systeem van de “Commende” verloren de monniken het recht hun eigen abt te kiezen. Ze werden verplicht een geestelijke of leek als overste te aanvaarden, die de abdij in commendam hield, dit wil zeggen die persoonlijk haar inkomsten inde, zonder zich ook maar in het minst te bekommeren over de interne discipline en het geestelijk peil van de monniken. De hebzucht van deze commendataire abten maakte elk herstel van de abdij onmogelijk.
In de XVIIIde eeuw was de sfeer van de Verlichting niet gunstig voor contemplatief levende monniken: zij werden als onnuttig beschouwd. Aan het einde van de eeuw verdreven de Franse revolutionairen de monniken van hun land en verkochten de abdijgebouwen als nationaal bezit aan verschillende gegadigden. De gebouwen raakten in verval of werden gesloopt, tot ze in de jaren 1960 gehuurd werden door het Centre d’Animation et de Tourisme. Met de hand- en spandiensten van vele jongeren werd het gebouw weer onder dak gebracht en kreeg de abdij een facelift. In 1987 schonk de familie de Barral, eigenaars van de site, de abdij aan de gemeente Bétête. Verschillende verenigingen gingen door met de restauratie en met opgravingen op de plaats van de voormalige abdijkerk en kapittelzaal. De reeds gehavende kerk werd wellicht in het begin van de 19e eeuw afgebroken.
Begin 2022 nam een Belgische cisterciënzer zijn intrek in de abdij, aanknopend bij zeven eeuwen monastiek leven op deze plek.