Abbaye de Prébenoît

Monachi et eremitae sunt venter Ecclesiae (Bernardus Claravallensis, Sent. III)

Monnik

Een vaderspreuk speelt door mijn hoofd: “Ik ben nog geen monnik maar ik heb monniken gezien!” De vele monialen en monniken die ik mocht ontmoeten, van wie ik mocht leren, wier nederig gedrag en wijze woorden mij inspireerden, waar zijn ze gebleven? Wat is er geworden van die bonte stoet zoekers en bijwijlen vinders van geluk? Hun gezichten staan me meestal nog scherp voor ogen, mijn geheugen werkt blijkbaar visueel. Broeders met wie ik samengeleefd heb, zijn intussen gaan hemelen of ze zijn in een relatie gestapt. Anderen beleven nog hun monastieke staat in een religieuze gemeenschap, een enkeling heeft het tot overste, en een ander zelfs tot bisschop geschopt.

Het dobbelsteentje dat ik ben, is naar een verlaten gebied in Frankrijk gerold. Hier vraagt geen mens hoe ik nog leef. (Ps 142,5) Mocht ik niet zo’n moderne internetgebruiker zijn, dan zou ik met die oudvader van weleer aan elke bezoeker kunnen vragen: “Hoe gaat het met de wereld: worden er nog huizen gebouwd, kinderen geboren en oorlogen gevoerd?” Daarmee lijkt het hele menselijke bedrijf wel samengevat.

Lees meer ...

Ik leef nu in een verlaten abdij in midden-Frankrijk met de schimmen van zeven eeuwen monniken die hier gebeden, gestreden en gewroet hebben. De geheimzinnige sporen van hun aanwezigheid zijn nog goed zichtbaar, in arduin gehouwen, in vervallen muren vervat. ’s Nachts hoor ik ze psalmen prevelen, overdag overvalt me hun stilte. Bij de schimmen heb ik mijn verblijf. (Ps 88,6) Goed gezelschap voor een homo solitarius. De oude monniken leefden in Egyptische graftomben om er met hun demonen te vechten, gestorven voor de wereld maar opgestaan met Christus!

Wat doe ik hier? “Wat doet een kluizenaar zoal?”, vragen de mensen me vaak. “Neerzitten in mijn kluis en mijn zonden bewenen.”